Wat ben ik nou in godsnaam aan het doen?

Column Karel Goudsblom

··········
Een column over kunst en eten tijdens 'The Breakfast Club', het laatste event van Opening: The Show. Karel Goudsblom over de kunstenaar in de keuken die geen kunstenaar is en over de kok in het atelier die geen kok is.
Karel Goudsblom met dochter
In 1996 ben ik begonnen met het organiseren van diners in mijn atelier. De reden hiervoor was voor mij erg simpel en voor de hand liggend. Ik had namelijk net zo’n tweeënhalf jaar in Brussel gewoond en besloot om weer in Amsterdam te gaan wonen.
Wat moest ik doen in een nieuw en groot atelier? Moest ik een beeld maken? Moest ik mijn vrienden en kunstenaars uitnodigen om te vertellen dat ik er weer was en wat ik wilde gaan doen? Ik besloot anders: ik besloot om elke zondagavond een diner te organiseren voor iedereen die maar wilde komen. Ik nodigde mensen uit die ik tegen kwam op straat, in een winkel of op een opening. Kortom, op zondagavond zaten er zo’n twintig personen in mijn atelier die ik vaak niet kende en zij elkaar ook niet. Mensen betaalden vijftien gulden en kregen van mij een simpel drie gangen menu.
Zonder uit te wijden hoe gezellig deze avonden waren, was één aspect opvallend: dat mensen snel met elkaar in contact kwamen en onbevangen met elkaar communiceerden. Er was daar duidelijk behoefte aan.

Ik zag dat toen niet direct als een kunstwerk en misschien is het dat ook helemaal niet, maar onbewust was het wel hetgeen ik moest doen en ik stopte er dan ook veel tijd in. Ik ging stage lopen in diverse restaurants, waardoor mijn kennis en techniek vooruit ging. Deze diners heb ik zo’n veertien jaar georganiseerd. Niet met de frequentie zoals in het begin, maar ze zijn nooit weggeweest. Soms verdiende ik er gewoon mijn geld mee en soms was het meer een sociaal event. Ik vertel dit omdat de barrière waar ik tegen aanliep de volgende was: Kunstenaar in de keuken is geen kunstenaar, een kok in een atelier is geen kok. Wat was ik dan in godsnaam aan het doen? Ik kom hier later op terug.

De ontmoetingskunst van de jaren negentig ,‘Relational Aesthetics’ genaamd, laat zien dat de kunstenaar meer en meer zijn atelier verlaat en op zoek gaat naar contact of ontmoeting. Ikzelf noem het meer de ‘menselijke maat’. Kunst is de reflectie van de maatschappij en de maatschappij heeft behoefte aan die menselijke maat.
De eat art projecten van Daniel Spoerri in de jaren zestig hadden onder meer als uitgangspunt om het totale leven als versmelting te laten zien en zich er direct een andere houding ten opzichte van de kunstelite mee aan te meten. De happenings van Alan Kaprow gingen nog iets verder waarbij de bezoeker een grotere participerende rol in het uiteindelijke werk ging spelen en iets van deze uitgangspunten speelt heden ten dage nog steeds een rol. De ontmoetingskunst ging niet voor niks letterlijk de straat op: samen werken, uit de galerie, direct met het publiek, de maatschappij dus aan de slag.

Eten en kunst zijn hier een voorbeeld van maar ook deze Show.
Deze Show is geen uiting van één ego, maar zoekt daadwerkelijk contact met allerlei disciplines en daardoor ontstaat er in feite één groot Gesammtkunstwerk en in feite is dat dan ook het uitgangspunt van het CBKU, niet een kantoor zijn waar alles achter de schermen wordt besloten maar meer een ontmoetingsplaats waar verschillende disciplines samen komen en samen werken. Als er iets aantoonbaars is wat de ontmoetingskunst teweeg heeft gebracht, dan zijn het deze uitingen.

Voor mijzelf gelden eerder genoemde aspecten maar gedeeltelijk ik geloof niet dat ik mij nu zo bewust wilde afzetten tegen de kunstwereld of de maatschappij maar meer was het mijn gevoel aan gebrek van daadwerkelijk contact, de maatschappij waarin wij leven is een maatschappij geworden waarin wij ver van elkaar en onszelf zijn af komen te staan en niet voor niets krijg je uitingen van kunstenaars die je beste vriend willen zijn of kunstprojecten waarbij hele Vinexwijken meedoen om het kunstwerk te maken. De politiek stelt het bijna als eis, kunst moet een maatschappelijke relevantie hebben.
Ik sluit mij hier overigens niet bij aan. Kunst is voor mij de mens en deze heeft altijd een maatschappelijke relevantie en laat zich maar gedeeltelijk reguleren.

Daarnaast zie ik de kunstenaar niet als een absoluut individu. Hij is net zoals wij onderdeel van het grote geheel. In het hermetisch bewustzijn, dat tot en met de Renaissance in Europa gemeengoed was is alles met alles verbonden, omdat alles voortkomt uit het ene. Dat principe zien we in bijna iedere oercultuur, maar dat wordt vaak overschaduwd door particularisme en vooral materialisme. Als een mens zich bewust is van zijn verbondenheid met alles wat is, omdat alles uit hetzelfde is voortgekomen, ziet hij meer en meer de parallellen tussen de verschillende disciplines waardoor hij niet meer het onderscheid zal maken tussen de zogenaamde hogere en lagere kunsten. Dat houdt automatisch in dat we ons ‘zijn’ weer gaan ervaren als ingebed in een groter samenhangend geheel.

Ik denk dat het daar voor mij over gaat. De kunstenaar is niet iemand die buiten de maatschappij staat, maar net zoals u en ik onderdeel is van dit grote geheel en daarin is elke reactie belangrijk. Dat wil niet zeggen dat je geen betere of slechtere werken zult hebben, maar het gaat erom dat je begrijpt dat alles daarin belangrijk is en dus geen onderscheid meer maakt tussen in je atelier staan of in de keuken.
Vandaar dan ook dat ik in 2006 een symposium organiseerde met als titel “The Maverick Convention” (een maverick is iemand die buiten de gangbare paden treedt; ook wel een wild paard genoemd). Dit symposium liet naast een aantal tentoonstellingen van diverse kunstenaars ook lezingen, films en projecten op scholen en in de galerie zien van verschillende disciplines. Allen met eigenlijk maar één uitgangspunt, namelijk de eerder genoemde ‘menselijke maat’. Het doel van ‘The Maverick Convention’ was om mensen te inspireren en te stimuleren tot bewustwording van hun persoonlijke invloed op de werkelijkheid en zich niet alleen binnen de paden van hun disciplines te begeven maar om te laten zien dat alles met alles is verbonden.

Elk mens kan zijn of haar leven in grote mate vormen, maar ook als samenleving kunnen wij ons leven in grote mate vormgeven. Het niet doen geloven in eigen kunnen en het niet bekommeren om je buurman, of groter gezegd je samenleving, is dodelijk gebleken.
Ik denk dan ook dat een enorme groep mensen bezig is om een nieuwe menselijk maat te bepalen.

Eigenlijk is het zo dat de behoefte aan openheid en omgang met mensen juist heel eigentijds is. Hoewel het lijkt dat alles meer open is geworden en de media ons allerlei vormen van openheid toont op het gebied van sex, familie ,verlangen en geld. Daarom zijn juist deze vormen eerder gebaseerd op angst dan op vertrouwen. En het is nu juist vertrouwen waar echte openheid op gebaseerd is.

Op mijn eerder gestelde vraag “Wat ben ik nou in godsnaam aan het doen”, kreeg ik eerlijk gezegd pas een jaar geleden gedeeltelijk antwoord. Ik dacht na over een eetcabine die ik wilde bouwen. Een eetcabine waarin ik sta aan een werkbank met een gaspitje, snijplank, koelkastje en tegenover mij een bord, vork en mes, glas en een stoel.
De contouren van deze cabine werden bepaald door de lengte van mijn arm en die van de bezoeker. In deze cabine kookte ik een eenpersoonsmaaltijd voor mijn bezoeker waardoor ik een soort aura creëer voor twee personen.
Optimale aandacht dus waarin ik de voorwaarden stel voor mijn kunstwerk en waarbij het publiek (in dit geval de bezoeker) het vervolgens over neemt. Het traject ligt dus niet van te voren vast. Het open karakter van dit werk zal uitnodigen om te participeren en het werk compleet te maken. Het gaat juist om de dynamiek die tussen mij en de beschouwer ontstaat. En eten is mijns inziens bij uitstek een sociaal bindende gebeurtenis, een dagelijks terugkerend ritueel dat eigen is aan alle culturen. Het is voor mij dan ook een logische stap om voor mijn meer sociaal geëngageerde werk hiervan gebruik te maken en zodoende mensen samen te brengen. Waardoor er geen scheiding meer is tussen leven en kunst ,eten en kunst, vliegeren en kunst, wandelen en kunst etcetera.

Volgens de psychiater Victor Frankl is het zo dat:
“De mens niet naar de zin van het leven moet vragen, maar zelf moet antwoorden met zijn eigen leven, door middel van het hem gegeven talent.” Wat dat talent is doet er eigenlijk niet eens zoveel toe. Het doet er wel toe dat je het benut, want alleen op deze manier kun je worden wie je bent en contact maken met je diepste essentie. Of je nu de drang voelt om mensen te genezen, of om een boek te schrijven, een huis te bouwen, kinderen op te voeden, een schilderij te maken, niets is meer of minder waard dan het andere. Al die dingen en mensen maken deel uit van een groter geheel, het collectieve bewustzijn. Daarin kun je geen onderscheid maken, en is een professor niet per definitie slimmer dan een huisvrouw, want bewustzijn informeert de kennis, niet andersom. Het intuïtieve weten wordt in onze westerse maatschappij ondergeschikt gemaakt aan intellect, en dit brengt disbalans, conflict met zich mee. Dichter bij jezelf te komen staan betekent dat het hoofd en het hart een gelijkwaardige rol spelen.

Eigenlijk is dit waar het voor mij om draait. Ik moet dan ook zeggen dat ik een enorme vrijheid ervaar dat op het moment ik in de keuken sta, -iets wat ik toch zo’n drie avonden per week doe- ik niet meer het gevoel heb dat ik nu eigenlijk in mijn atelier zou moeten staan. En toen ik besefte dat mijn verzet en mijn projectie mijn werkelijkheid creëerde, besefte ik ook dat geen verzet, geen projectie een andere werkelijkheid creëerde.
Ik wil niet zeggen dat ik daar nou meteen in geslaagd ben maar op het moment dat ik echt ging zien dat alles met elkaar te maken heeft en dat kunst niet een geïsoleerd fenomeen binnen onze samenleving is en dat het misschien wel helemaal niet alleen om mij ging. Op dat moment stapte ik letterlijk en figuurlijk de menselijke maat binnen.

Karel Goudsblom, 21 februari 2010