Verslag symposium Kunst en Geld 21 april 2011
··········
CBKU organiseerde op donderdag 21 april jl een symposium als opmaat naar het themaproject Kunst en Geld, dat plaatsvindt van 20 oktober t/m 20 november 2011 in CBKU. Kunst en Geld bestaat uit een tentoonstelling en een aantal symposia.
Markt, overheid en oikos
Curator van het project Elias Tieleman geeft een korte toelichting over de tentoonstelling in het najaar. Kapstok voor de tentoonstelling vormt de indeling in drie sferen; volgens Arjo Klamer, econoom en hoogleraar aan de Erasmus universiteit te Rotterdam, is de culturele sector afhankelijk van drie financieringssectoren: de markt, de overheid en oikos. Dit laatste is het Griekse woord voor thuis. Hieronder worden activiteiten verstaan via familie, partner, mecenaat of sponsoring en uit de informele economie. Deze drie sectoren worden in de tentoonstellingsvormgeving verbeeld: een uitzendbureau vertegenwoordigt de marktsector, een wachtruimte de sector overheid en een gezellige woonkeuken is de representatie van oikos. Van elke sector zijn er drie kunstenaars die elk een andere werkwijze vertegenwoordigen.
Om het project Kunst en Geld in te leiden nodigde CBKU Arjo Klamer uit om zijn visie te geven op het inkomen van beeldend kunstenaars en de drie sectoren markt, overheid en oikos nader toe te lichten. CBKU stuurde enkele weken voorafgaand aan het symposium een enquête aan ca. 1100 kunstenaars uit zijn bestand, waarin werd gevraagd naar de verdeling van het inkomen van kunstenaars over deze drie sectoren. Tevens werd de vraag gesteld of kunstenaars al dan niet konden rondkomen van hun beroepspraktijk. De resultaten van de enquête zijn na afloop van Klamers lezing bekend gemaakt.
De wet van vraag en aanbod
Ter introductie van zijn lezing verwijst Klamer naar het boek van collega-econoom Hans Abbing: Why Are Artists Poor? Ook Abbing komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat ongeveer de helft van de beeldend kunstenaars niet kan rondkomen van hun kunst, maar niettemin toch doorgaan met hun beroepspraktijk. Dit strookt niet met traditionele economische theorieën die uitgaan van een evenwicht in vraag en aanbod. Er zijn echter veel te veel kunstenaars in verhouding tot de relatief kleine markt die zij bedienen. Ze zouden eigenlijk massaal moeten stoppen en zo een schaarste creëren, waardoor de prijzen omhoog kunnen en hiermee hun inkomsten. Op een of andere manier houden ze dit scheve evenwicht echter in stand.
Klamer begint zijn betoog met het introduceren van een begrip dat in de wereld van economen een bekend fenomeen is: opportunity costs. Een voorbeeld: als een kunstenaar aangeeft dat hij een jaarinkomen heeft van 10.000 euro, dan zijn dit in feite geen netto inkomsten. De tijd die hij besteedde om dit inkomen te verkrijgen, kon hij ook besteden om iets anders te doen dat veel meer geld oplevert, zeg bijvoorbeeld een fulltime baan die 30.000 euro per jaar oplevert. Volgens deze redenering is zijn inkomen dus geen 10.000 euro, maar lijdt hij een verlies van 20.000 euro.
'Kunst is een gesprek'
Klamer vervolgt met te zeggen dat kunstenaars zich bewust moeten worden van de waarden van kunst. Hij noemt vier waarden, die kunst kan hebben: een artistieke waarde, een maatschappelijke waarde, een financiële waarde en een sociale waarde. Van de eerste twee waarden zijn kunstenaars zich over het algemeen goed bewust, maar van de financiële waarde hebben veel kunstenaars geen benul. Of ze vragen te weinig voor hun werk, of te veel. Klamer pleit om bij het bepalen van de waarde van een kunstwerk de ‘pijngrens’ van de koper op te zoeken. Hij gaat nog verder door te stellen dat ‘kunst’ noch gemaakt, noch gekocht kan worden. Kunst is immers een immaterieel begrip dat zich in de belevingswereld afspeelt van maker of koper en met name in de interactie hiertussen. Hij noemt kunst een ‘gesprek’, of een ‘sociaal goed’.
Klamer geeft vervolgens nadere toelichting op de begrippen markt, overheid en oikos. De markt werkt volgens het principe quid pro quo: In ruil voor geld krijg je een kunstwerk. De overheidssector werkt op basis van regels. Oikos is de sfeer die werkt op basis van wederkerigheid en liefde.
Resultaten enquête
Tot slot werden de resultaten van de enquête bekend gemaakt. Op 21 april was nog maar een klein percentage van de verstuurde enquêtes binnen, maar de resultaten waren schrikbarend: slechts 15% van de kunstenaars kan rondkomen van hun kunstenaarschap, en dan zelfs wordt onder ‘rondkomen’ soms een bedrag genoemd dat ver onder het niveau ligt van het minimumloon. Maar liefst 85% van de kunstenaars kan dus niet rondkomen van hun kunstenaarschap. Ook de verdeling van inkomsten over de 3 sectoren was verrassend te noemen: van de kunstenaars die zeiden te kunnen rondkomen van hun kunstenaarschap haalt het overgrote deel hun inkomsten uit de markt en een kleiner deel via subsidies van de overheid. Geen enkele kunstenaar noemde oikos als inkomstenbron. Bij kunstenaars die niet konden rondkomen was de verdeling anders: ongeveer de helft is afhankelijk van inkomsten uit oikos (vaak via partner of bijbaan), een klein deel haalde inkomsten uit de markt en een zeer klein deel via overheidssubsidies.